Wat is de Training Adherence Score?
De TAS is een wekelijkse score (0–100) die meet in hoeverre een atleet het trainingsplan heeft gevolgd. De score is geen beoordeling van prestatie, maar van gedrag: deed je wat gepland was, op de juiste intensiteit, met voldoende herstel?
Vier componenten (sportwetenschappelijk onderbouwd)
Completion (0–40 punten)
Hoeveel van het geplande trainingsvolume is daadwerkelijk uitgevoerd? Als TSS-data beschikbaar is, wordt de verhouding actual/planned TSS gebruikt. Dit is sportwetenschappelijk correcter dan eenvoudig workouts tellen: een lange duurrit van 3 uur telt zwaarder dan een 20-minuten herstelritje.
Onderzoek toont dat 80–90% completion van het geplande volume optimaal is voor adaptatie (Bruin et al., 2011; Foster, 1998).
Intensity (0–30 punten)
Werd er getraind in de juiste hartslagzone of vermogenzone? Twee dimensies worden gemeten:
- Hoge intensiteit: deed de atleet de intervaltraining echt op de juiste intensiteit?
- Lage intensiteit: bleef de atleet bij duurtraining echt in Z1/Z2?
In gepolariseerde en pyramidale trainingsmodellen is 80%+ van het trainingsvolume in Z1/Z2 essentieel voor aerobe ontwikkeling (Seiler & Tønnessen, 2009; Esteve-Lanao et al., 2007). Atleten die "te hard" duurtrainen verliezen adaptatie aan beide uiteinden van het intensiteitsspectrum.
Recovery (0–20 punten)
Respecteerde de atleet de herstel- en rustdagen? Supercompensatie — de fysiologische basis van elke training — vindt uitsluitend plaats tijdens rust (Kenttä & Hassmén, 1998).
Een atleet die structureel hersteldagen overslaat of te intensief uitvoert, remt zijn eigen progressie en vergroot het blessurerisico significant. Deze 20 punten zijn daarmee disproportioneel belangrijk.
Reflection (0–10 punten)
Logde de atleet een RPE of opmerking na de workout? Zelfreflectie vergroot zelfregulatie, een bewezen voorspeller van trainingsadherence op lange termijn (Zimmerman, 2002).
Bovendien is subjectieve vermoeidheid (hoe voelde het?) een klinisch valide indicator van overtraining-risico, ook zonder bloedmarkers (Meeusen et al., 2013).
Waarvoor is de TAS wél geschikt
- Patroonherkenning: Een coach ziet in één oogopslag of een atleet structureel workouts overslaat, te hard herstelt, of de intensiteitsdiscipline mist
- Vroege signalering: Twee weken lage herstelscore of dalende completion zijn vroege signalen voor overtraining of demotivatie — weken voordat prestatie-achteruitgang zichtbaar is
- Gespreksbasis: De TAS maakt het coachingsgesprek objectief en concreet: "Je herstel-score was de afgelopen 3 weken gemiddeld 8/20 — wat gaat er thuis?"
- Dynamische plan-aanpassing: Bij TAS < 65% wordt aanbevolen het volgende weekvolume te verlagen; bij uitstekende adherence is progressie onderbouwd
Waarvoor is de TAS niet geschikt
- Prestatievoorspelling: TAS zegt niets over tempo, FTP-ontwikkeling of raceprestatie. Een atleet kan 95/100 scoren en toch langzaam zijn
- Absolute motivatiemeting: Een lage TAS kan veroorzaakt zijn door ziekte, reizen, werk of gezin — niet per definitie door gebrek aan motivatie
- Vervanging van biometrische data: HRV, laktatetests of VO2max-metingen geven diepere fysiologische inzichten. TAS is gedragsdata, geen fitnessdata
- Vergelijking tussen atleten: Een TAS van 80 bij een beginneratleet en een TAS van 80 bij een elite-atleet betekenen heel verschillende dingen qua absolute belasting
- Kortetermijn-overlaadperiodes: In een gecontroleerde overreach-week (bewust overloaden) zal de TAS dalen. Dat is niet slecht — maar de coach moet dit context geven
Wetenschappelijke referenties
- Seiler, S. & Tønnessen, E. (2009). Intervals, thresholds, and long slow distance: the role of intensity and duration in endurance training. Sportscience 13, 32–53.
- Esteve-Lanao, J. et al. (2007). Impact of training intensity distribution on performance in endurance athletes. Journal of Strength & Conditioning Research, 21(3).
- Kenttä, G. & Hassmén, P. (1998). Overtraining and recovery. A conceptual model. Sports Medicine, 26(1), 1–16.
- Foster, C. (1998). Monitoring training in athletes with reference to overtraining syndrome. Medicine & Science in Sports & Exercise, 30(7), 1164–1168.
- Meeusen, R. et al. (2013). Prevention, diagnosis and treatment of the overtraining syndrome. Medicine & Science in Sports & Exercise, 45(1), 186–205.
- Zimmerman, B.J. (2002). Becoming a self-regulated learner: an overview. Theory Into Practice, 41(2), 64–70.